Doneer

éénmalige vrijwillige donatie

Doneer via Paypal

Doneer 5 euro (of meer) via Ideal

Wat is Tourette?

 

 

Tourette noemen ze een ‘syndroom’ omdat een syndroom meerder symptomen heeft. Bij Tourette is dat ook zo. Allereerst zijn er de tics.

Tics
Tics zijn bewegingen of geluiden waar je geen controle over hebt, die je dus niet, of alleen maar voor even, kunt tegenhouden.

 

Voorbeelden van bewegingstics:

  • met de ogen knipperen
  • een grimas trekken
  • de ogen wegdraaien
  • met het hoofd schudden
  • neus optrekken
  • schouders optrekken
  • tenen krommen.

 

Voorbeelden van geluidstics:

  • keelschrapen
  • kuchen
  • grommen
  • knorren
  • sisgeluiden maken
  • klakken met de tong
  • vloeken.

 

Er zijn veel verschillende tics, het zou te veel zijn om ze allemaal op te noemen. Sommigen hebben heel veel tics tegelijk, anderen maar een paar. Bij sommigen kun je ze goed zien, bij anderen eigenlijk niet.

Bij niemand is Tourette hetzelfde!

Wat wel hetzelfde is: iedereen met Tourette heeft minstens 3 tics (2 bewegingstics en 1 geluidstic) én dat deze tics er al meer dan een jaar zijn. Is dat niet zo, dan heb je géén Tourette.

Veel mensen met Tourette hebben ook gedachtentics, ook wel cognitieve tics genoemd. Cognitieve tics zijn gedachten of beelden waar je steeds maar aan moet denken, zoals het bedenken van woorden met een bepaalde letter, of rekensommetjes maken, alles tellen of woorden in gedachten herhalen.

 

 

De naam komt van een man die George Gilles de la Tourette heette, hij kwam uit Frankrijk en hij heeft het syndroom ontdekt. Dit is hem:

 

Een ander symptoom van Tourette is dat er bijna altijd bijkomende verschijnselen zijn, vaak in het gedrag.

 

Bijkomende verschijnselen

  • onrust in je lijf
  • concentratiestoornis (je kunt dan niet lang achter elkaar met iets bezig zijn)
  • hyperactiviteit (erg druk en beweeglijk)
  • impulsiviteit (eerst doen en dan pas denken)
  • dwang- en dranghandelingen (steeds hetzelfde moeten doen of denken)
  • contactstoornis (niet goed weten hoe je met anderen moet omgaan).
  • depressie (het niet meer zien zitten)
  • angsten
  • problemen met je handschrift
  • inslaapproblemen
  • hoofdpijn

 

Dit zijn de verschijnselen die het meest voorkomen bij Tourette. Sommige hebben een naam, bijv. ADHD, PDD-NOS of OCD. Kinderen met Tourette hebben vaak één van deze ‘aandoeningen’ erbij.

 

 

 

 

 

Hoe krijg je Tourette?

Niet iedereen krijgt Tourette, je moet er gevoelig voor zijn. Deze gevoeligheid is voor een belangrijk deel erfelijk bepaald, dat wil zeggen dat je het hebt meegekregen bij de geboorte.

Bij Tourette werkt niet alles even goed in de hersenen zoals het zou moeten. Je kunt het zo zien: in je hersenen zitten zenuwen waar hoesjes omheen zitten, net als bij elektriciteitsdraadjes. Eén zo’n hoesje is bij Tourettepatiënten beschadigd. Er gaat daarom iets fout in het contact tussen de draadjes en dat zorgt ervoor dat er tics ontstaan.

 

 

Wie vertelt jou nou of je Tourette hebt of niet?

Dat doet een arts. Dat is meestal een neuroloog of psychiater.

Omdat er geen test is om Tourette vast te stellen zal zo'n dokter jou en je ouders vragen stellen over de tics die je hebt en hoe oud je was toen de tics begonnen. Verder kijkt een dokter ook nog of je last hebt van de bijkomende verschijnselen die hierboven staan. Soms is er nog ander onderzoek of testjes nodig om vast te stellen dat je geen andere ziekte hebt. Zo wordt er ook nog wel eens een hersenfilmpje gemaakt.

 

Wat is er aan te doen?

Tourette kan nog niet worden genezen, daar is nog meer onderzoek voor nodig.

Als je er veel last van hebt zijn er wel wat ‘middelen’ die kunnen helpen.

 

  • Je kunt therapie volgen voor je tics.
    Gedragstherapie kan ervoor zorgen dat je minder tics hebt. Er zijn twee soorten.
  1. Heb je een hele vervelende tic die je graag kwijt wil, dan word je in plaats daarvan een andere beweging/geluid aangeleerd. Uiteindelijk verdwijnt zo die vervelende tic.
  2. Wil je al je tics zo veel mogelijk kwijt dan wordt er met je geoefend om ze tegen te houden. Als je dit lang genoeg volhoudt, dan verdwijnt de ‘drang’ om te ticcen. Zo wordt het een stuk rustiger.

 

  • Je kunt therapie volgen voor je gedrag.
    Als je het bijvoorbeeld moeilijk vindt om met andere kinderen om te gaan kun je leren hoe je dat het beste aanpakt. Of als je last hebt van woedeaanvallen wordt je geleerd hoe je dat het beste onder controle houdt.

 

  • Je kunt medicijnen slikken.
    Als therapie jou niet voldoende helpt kan je dokter medicijnen voorschrijven. Er zijn heel veel medicijnen en je dokter bekijkt welke het beste bij jou passen. Dit is zeker niet de eerste keus, want medicijnen hebben ook veel bijwerkingen. Dat betekent dat je last van andere dingen kunt krijgen, zoals vaker moe zijn, hoofdpijn hebben of meer gaan eten. Het is altijd even uitproberen om te kijken welk medicijn voor jou het beste werkt en het minste van die bijwerkingen geeft.